Kwaliteitslabel voor waterlopen
Kiezelwieren zijn bijzonder gevoelig voor de kwaliteit van het water waarin ze leven. Daardoor zijn het uitstekende indicatoren voor de gezondheid van een rivier. In de jaren 60 en 70 was de Schelde biologisch gezien vrijwel dood. Grote hoeveelheden ongezuiverd afvalwater veroorzaakten een overaanbod aan organisch materiaal. Bacteriën die dat materiaal afbraken, verbruikten daarbij bijna alle zuurstof in het water. Dierlijk leven was hierdoor nauwelijks mogelijk. Dankzij investeringen in waterzuivering en strengere regels voor lozingen verbeterde de toestand vanaf 2009 spectaculair. Toch volstond dat niet om van een echt gezond ecosysteem te spreken. Het voedselweb heeft ook een stevige, stabiele basis nodig.
Een verhaal van voedingsstoffen
Kiezelwieren vormen een cruciale voedingsbron voor veel leven in de Schelde, van zoöplanktonen, insecten tot vissen. Om die rol te vervullen, hebben ze zelf zonlicht en voedingsstoffen nodig: stikstof, fosfor en het silicium waarmee ze hun skelet opbouwen. Aan stikstof en fosfor is in de Schelde geen gebrek; die levert de mens nog altijd in (te) grote hoeveelheden aan. Maar silicium is schaars, en precies dat vormt de beperkende factor voor kiezelwieren. Wanneer er te weinig silicium beschikbaar is en tegelijk veel stikstof en fosfor, krijgen concurrenten de bovenhand: blauwalgen. Dat zijn, ondanks de naam, geen algen maar cyanobacteriën. Ze hebben geen silicium nodig, zijn minder geschikt als voedsel en kunnen bij massale bloei schadelijk en zelfs giftig zijn. Wanneer ze afsterven, volgt vaak opnieuw zuurstoftekort door de bacteriële afbraak van dit organische materiaal. De sleutel tot een gezonde kiezelwiergemeenschap in de Schelde ligt bij een verdere verbetering van de waterkwaliteit en bij meer slikken en schorren. Wanneer rivierwater op het ritme van de getijden over die gebieden stroomt, blijven plantenresten en skeletten van dode kiezelwieren achter. Die bevatten veel silicium, maar in een onoplosbare vorm. Bacteriën breken de skeletten af, waardoor het silicium opnieuw oplosbaar wordt en beschikbaar voor nieuwe kiezelwieren. Bovendien vormen ondergelopen slikken en schorren uitgestrekte, ondiepe wateroppervlakken. Dat betekent veel zonlicht voor de kiezelwieren en extra zuurstof voor de hele rivier. En dan hebben we het nog niet eens over de waterzuiverende werking van slikken en schorren, hun grote ecologische waarde of hun rol in waterveiligheid.
Van tel voor natuurherstel
Daarom voorziet het Sigmaplan in de ontwikkeling van 1.500 hectare slikken en 500 hectare schorren. Een deel daarvan is al gerealiseerd, bijvoorbeeld in gecontroleerde overstromingsgebieden met gereduceerd getij (GOG-GGG) zoals de Polders van Kruibeke, of via ontpolderingen zoals Wijmeers. Die nieuwe getijdennatuur zorgde, samen met andere herstelmaatregelen, voor een duidelijke heropleving van de biodiversiteit in de Schelde. Waar ooit een dode rivier stroomde, leeft vandaag een ecosysteem met tientallen diersoorten, gedragen door kiezelwieren. Maar het werk is nog niet af. De Schelde blijft kwetsbaar voor crisissen zoals vervuiling, droogte en extreme neerslag, die door de klimaatverandering vaker voorkomen. Door verder in te zetten op natuurherstel versterken we de voedselproductie en het zelfreinigende vermogen van de rivier. Zo wordt het ecosysteem rijker, veerkrachtiger en beter bestand tegen schokken. Klinkt dat niet als een plan waar iedereen beter van wordt?